Wat is het dat een stadje rond het Middellandse zeegebied zo aantrekkelijk maakt? Waarom vindt een groot aantal mensen, vooral ook niet-architecten, een dergelijke stad zo aantrekkelijk? Waarom is het vakantie-bezoek-gevoel nu juist dermate groot dat het een blijvende indruk op je achter laat? Deels is dit te verklaren door een weloverwogen, ruimtelijk duidelijke stedebouwkundige opzet en de met veel aandacht uitgewerkte overgangen tussen openbare en privé-ruimte, subtiele veranderingen die je pas opmerkt als je reeds verder bent. Gebieden die zorgen voor die ambiance, voor een home-site gevoel, een gevoel van ‘hier ben ik vertrouwd, ik ken dit’. Loze, braakliggende terreinen, ingevuld door plaatselijke behoeften. De creatie van een overgave aan de stedelijke inrichting. Je mee laten zweven in het plan dat open ligt, deinend op de golven volg je de routing en de invulling. Echter juist die grensgebieden, die net niet meer bij de openbare ruimte horen, maar ook nog niet tot privé-ruimten gerekend kunnen worden, deze doen je ontsnappen aan het kadans van de golf.
Ook de materialisering en het handwerk cq. Vakmanschap, het nog echte ambacht, dragen bij aan de aantrekkelijke ambiance. Subtiele variaties ingepast in een kleed van prefab, Gamma, Televisie des Bouvrie’s, voegen net dat beetje toe dat zorgt voor een authentieker beeld. Eigen inventiviteit en sensibiliteit. In tegenstelling zien de konstrukties er vaak formalistisch uit, maar bij nader bestuderen lijkt de gekozen vormgeving meestal heel slim en doordacht. De traditie van het handwerk, het ambacht, de beschikbaarheid van materialen en de diversiteit aan bewerkingen zijn daarvoor bepalend. Zonder geschiedenis van deze factoren was het nooit mogelijk de konstruktie juist zo te maken dat het "zo natuurlijk of zo bedacht" over komt. Wat het dan is, dat House VI van Peter Eisenman haast als een juweeltje, in feite als een abstract kunststukje overkomt, en de woonhuizen van Aalto een bevlieging op de menselijke schaal zijn, is nu die combinatie van onder andere materiaalgebruik, vakmanschap en ambacht. Juist deze combinatie geeft de gebouwen een diepere, misschien zelfs emotionele betekenis. Of door deze wijze van bouwen de objecten nog steeds leefbaar zijn, is een tweede. Een leuke anekdote ten aanzien van House VI is de volgende van een (oud)bewoner die, na een onfortuinlijke en ongelukkige val in een gat in de vloer, bedacht door Eisenman, zijn been brak. In welke mate kan je dan als ontwerper je eigen creatieve geest de vrije loop laten, zodanig dat het op z’n minst nog bewoonbaar, leefbaar is?
Het leerproces van de veroudering speelt hierbij een rol. Om ook met hedendaagse architectuur hetzelfde kwaliteitsniveau te bereiken is het van belang dat eeuwenoude tradities niet overboord gegooid worden. Traditionele technieken en toepassingen zouden in ieder geval niet moeten worden nagebootst, niet zomaar klakkeloos worden overgenomen (de geschiedenis leert ons de gevolgen inzien van foutief nabootsen; instorting en destructie), maar deze technieken en toepassingen dienen juist verder moeten te worden ontwikkeld. "De fascinatie voor en attractiviteit van een detail kunnen soms uitgaan van revolutionaire technieken, maar soms ook van op traditie overleverde en gebaseerde technieken."
Een belangrijk aspect in het verlenen van sensibiliteit aan het gebouw is de manier van vormgeving - vooral van onderdelen waar men fysiek (met de handen) mee in aanraking komt. Daar waar een gebruiker met zijn handen het gebouw echt (aan)raakt, is medebepalend voor zijn ervaringen van het gebouw. Het is niet alleen functioneel, maar ook mooi. In het werk van Aalto is dit vaak te ontdekken. Op het moment dat je zelf kan voelen hoe een materiaal gebruikt is, hoe het is bewerkt, als je kan voelen en proeven wat voor sfeer het gebouw ademt, dan heeft het gebouw een mate van sensibiliteit. Het kan zijn dat je ‘denkt’ dat een wand van staalplaat is opgetrokken, terwijl je na ‘aanraking’, na gebruik van je tastzintuigen tot de conclusie moet komen dat het geen staalplaat maar geverfd triplex is. Architectuur die je niet kan ‘betasten’, papieren architectuur is mogelijk, echter dan ontbreekt het aan de lijfelijke ervaring, de tast, die een extra dimensie, een extra ervaring geeft die onontbeerlijk is voor een goede waarneming. Soms zijn details of elementen niet (op het eerste gezicht) verklaarbaar, maar misschien alleen mooi of lelijk. Maar doordat deze aspecten niet direct te begrijpen zijn, fascineren ze ons en worden wij op aangename wijze op het verkeerde been gezet: een gebouw raakt ons gevoel, de emotie speelt parten bij onduidelijkheid in de ervaring. De zoektocht naar een doorgang, een schijnbaar zwevend plafond, een op het oog veel te ranke kolom om als drager te dienen, het gevoel doet van zich spreken. Je raakt boos, of juist opgewonden, verlicht of paranoïde. Het oproepen, het uitlokken van een emotionele diepgang is nu juist een gevolg van het doordacht en subtiel toepassen van vakmanschap. Door net dat ene beetje extra invulling te geven aan een detail, met minimale invloeden die emotie kunnen oproepen getuigt van een sensibiliteit ten aanzien van het vakgebied. Diegene die deze overtuiging hebben, die dit soms grijze gebied aanvoelen, creëren een sfeer die het aangenaam vertoeven maakt. Bij veel recente projecten is wel het gevoel voor het materiaal en het vakmanschap te ontdekken, maar het lijkt als of er iets in het evenwicht tussen de verschillende onderdelen niet is uitgebalanceerd, alsof het gecombineerde gevoel van inspiratie, vakmanschap, techniek en materiaal niet samenhangend gebruikt wordt. Het beperkt zich helaas tot interessante incidenten, uitzonderingen waarbij wel een juiste combinatie aangegaan wordt. Echter te vaak is het niet in een goede relatie tot de rest van het gebouw, interieur en buitenruimte te ontdekken. Dat het object konstruktief en organisatorisch juist in elkaar steekt werkt uiteraard bevorderlijk voor een goede verstandhouding tussen object en gebruiker, maar dat het niet eens altijd aan te wijzen gebrek aan sensibiliteit, gebrek aan een vorm van waardigheid en intensiviteit aanwezig is, zal de creatie je niet in die mate in extase brengen dat het diep in je geheugen gegrift blijft. Het is net als verliefdheid, niet rationeel te verklaren maar eenieder weet hoe het aanvoelt, wat het met je doet. Zonder enige duidelijk aan te wijzen gedaantewisseling, straal je toch van oor tot oor. Hetzelfde geldt voor de architectuur. De spontane verliefdheid voor een gebouw komt misschien niet vaak, maar bij het zien van een ‘soul-mate’ krijg je toch spontane emotionele en vaak onverklaarbare gevoelens. Sensibiliteit is geen gegeven dat je toepast als een programma of concept. Het is een door ervaring of gevoel verworven idee dat je toepast daar waar je het nodig acht. De een heeft het, de ander leert het nooit. Het is ook geen gevoel dat valt te leren als een programma, het is een haast goddelijke tast en emotie die je in een ontwerp legt, een persoonlijke verliefdheid op je eigen creatie. Door het veelvuldig analyseren van objecten die reeds bestempeld zijn ‘het’ te hebben, leer je de diepere emotionele waarde ontdekken, maar kijk hierbij vooral naar je eigen ervaringen en interesses daar verliefdheid geen algemeen idee is maar een zeer persoonlijk getint gevoel, dat je slechts zelf kan uitvinden.