Er is een continue spanning tussen persoon en omgeving, concreter gezegd een spanning – of conflict- tussen de driften en behoeften van de mens en de eisen van de omgeving. Handelen wordt niet alleen gestuurd door ons verstand, maar ook irrationele impulsen bepalen wat we denken en doen. Zulke impulsen zijn een vast gegeven in ieder mens, zoals de zuigreflex van een zuigeling, of de seksuele driften op latere leeftijd. Deze impulsen, ook wel ‘lustprincipe’ of ‘driftprincipe’ dragen we ons hele leven met ons mee. In de filosofie wordt dit aangeduid met het ‘Es’, het ‘Het’. Echter door de evaring en opvoeding leer je je onbewuste impulsen te beheersen en je zo aan te passen aan je omgeving. Je weegt je driftprincipes af
tegen de ‘werkelijkheidsprincipes’, hierdoor bouw je als het ware je eigen ‘ik’ op. Nu kan het gebeuren dat je iets heel graag wilt, terwijl je omgeving dit niet accepteert. Dan verdring je dus behoeften. De impulsen kunnen dan ‘vervormd’ of ‘vermomd’ worden en onze gedachten hierdoor sturen zonder dat we er zelf van bewust zijn. De psychoanalyse onthult deze werkelijke impulsen door de geschiedenis en weggestopte herinneringen terug naar boven te halen door de werkelijke oorzaak voor het wegstoppen vanuit het onderbewuste terug in het bewustzijn te halen. Hierdoor wordt de reden, de traumatische ervaring, verwerkt, waardoor je weer een reëel bewustzijn en een heldere ervaringswereld schept. Er is nu nog een derde ‘instantie’ aanwezig in de menselijke geest, het ‘over-ik’, waaraan tevens het geweten is gekoppeld. Van jongs af aan word je continu met moralistische eisen en veroordelingen geconfronteerd. Het foei-doe-dat-nooit-meer-gevoel. Het ‘over-ik’ geeft ons dan een seintje telkens als we verlangens hebben die niet gepast zijn in de huidige omgeving. Hierdoor creëer je een eigen schuldgevoel waardoor je ervaringswerkelijkheid continu vervormd en dus niet juist wordt weergegeven. Een stroming die dit geprobeerd heeft te vertalen in beeld is het surrealisme, dat je zou kunnen vertalen met ‘bovenwerkelijkheid’ André Breton gaf in 1924 een ‘surrealistisch manifest’ uit, waarin hij erop wees dat de kunst gedreven zou moeten worden door het onderbewuste. Zo moest een kunstenaar vanuit een zo vrij mogelijke inspiratie droombeelden oproepen en zich richten op een bovenwerkelijkheid of magische werkelijkheid waarin de scheidslijn tussen droom en werkelijkheid is opgeheven. Een kunstenaar is juist een geschikt persoon om de opgebouwde censuur van het bewustzijn uit te schakelen, waardoor woorden en beelden vrijelijk kunnen stromen. Evenzo is architectuur een werkveld waarin dit een voorname rol kan spelen. De persoon dient hier als medium voor zijn eigen onderbewustzijn. Het samenspel tussen verstand en fantasie. Maar al te vaak verstikt het verstand de fantasie in een te vroeg stadium, waardoor nooit iets werkelijk nieuws kan ontstaan. Het verstand selecteert uit die stroom van denkmutaties die in je bewustzijn opkomen juist diegene die bruikbaar zijn. Nu is het juist de fantasie die iets nieuws schept, echter de fantasie kiest niet, de fantasie componeert niet. Een compositie – wat elk kunstwerk of architectuur toch is – ontstaat door een samenspel van ziel en rede. In elk element zit wel een element van toeval in het scheppingsproces. Het is nu juist belangrijk je niet af te sluiten voor zulke toevallige ingevingen, maar ze te benutten en te overpeinzen.