Scanning; the aberrant architectures of Diller + Scofidio
Eric Vanderfeesten on 2003.11.01
inleiding Diller + Scofidio volgen een opvatting over architectuur en kunst die niet gelijk is aan de traditionele manier waarop architecten werken. Centraal in de gedachte en opvattingen over het vakgebied staat niet het idee dat architectuur altijd en uitsluitend bedoeld is voor bescherming, comfort en functionaliteit. Zij tonen in hun werk de dagelijkse realiteit die onopgemerkt blijft. Het onopgemerkte en onzichtbare wordt getoond als het overduidelijk aanwezige, waarin de rituelen van kopen en verkopen, controle en onderhandeling centraal staan. Met behulp van de nieuwste visuele technologieën presenteren zij een alternatief voor de cultuur van tonen, weergeven en presenteren (display) van alle consumptie artikelen inclusief de mens zelf. Zij draaien het hedendaagse economische en sociale systeem om en tonen juist de weergave zelf en niet de producten die normaliter tentoon staan. Zij geven het presenteren weer. In hun opvatting is architectuur het creëren van plekken voor presentatie, en niet langer de traditionele opvatting van het creëren van plekken ter bescherming en beschutting. De presentatie staat centraal in het hedendaagse leven. De consumptie industrie draait om de verpakking, de reclame en de winkels voor consumptie. De mens presenteert zich door middel van zijn kleren en lichaamstaal, informatie is gepresenteerd in haar symbolen en iconen ter identificatie en richtinggevend karakter. De presentatie staat centraal en voert de boventoon in het dagelijkse leven. De kwaliteit van de architect is naast specialistische kennis die kan worden uitbesteed, voornamelijk het manipuleren van ruimte en leegte, van licht, proportie en materiaal, allemaal gericht op het presenteren van data en informatie. De architect bepaald uiteindelijk zelf deze industrie van consumptie, de stroom aan publiek, en geeft richting aan de mensenmassa langs goederen. Diller + Scofidio worden bewust getypeerd als architecten/kunstenaars, aangezien zij niet expliciet het een (architectuur) of het ander (kunst) creëren, maar in een continue wisselwerking tussen de twee opereren. Zo worden concepten bedacht voor theater voordrachten laten gebruikt in architectonische ontwerpen, en andersom worden architectonische elementen gebruikt in hun installaties. In het grootste deel van hun theater oeuvre en conceptuele installaties en dansen zijn een drietal kernmerken te ontleden; enscenering, realiteit en bemiddeling. Hun theatervoorstellingen maken veelal gebruik van spiegels om een interactie te krijgen tussen een werkelijke actie, de dansers op het podium, en een geënsceneerde realiteit, door middel van opgenomen en real-time video projecties.