Gilles Deleuze werd geboren op 18 januari 1925 te Parijs en studeerde filosofie aan de Sorbonne. Na verschillende functies te hebben vervuld werd hij in 1969 hoogleraar in de filosofie aan de Universiteit Paris-VIII Vincennes die later werd overgeplaatst naar Saint-Denis. Daar bleef hij tot aan zijn emeritaat in 1987.
Het oeuvre van Deleuze is een rizoom. Dit betekent dat het meerdere ingangen heeft die allemaal even goed of even belangrijk zijn. Langs elke ingang kan je binnen komen, wat hierbij veranderd is de kaart van het rizoom; je bewandelt immers andere wegen en er gebeuren andere dingen. In de Nederlandse vertaling van het boek Rizoom is gekozen voor een ingang aan de hand van een zin uit het boek Dialogen (1977): “Het doel is niet vragen te beantwoorden, maar te ontkomen, eruit te komen�. Deleuze lijkt achtervolgt te worden door de vraag hoe eruit te komen, of het nu de geschiedenis van de filosofie, een bepaalde manier van denken, of de filosofie zelf is. Deze vraag komt steevast terug in het schrijven van Deleuze en lijkt een drijfveer van zijn denken. In de beweging van het denken van Deleuze zijn een viertal fasen te onderscheiden. De eerste daarvan kunnen we kenschetsen als een poging om zich uit de geschiedenis van de filosofie te bevrijden. Deze eerste fase correspondeert met een serie monografieën over de filosofen Hume, Nietzsche, Kant, Bergson en Spinoza en de niet-filosofen Masoch en Proust. Aan de hand van deze studies draagt Deleuze de bouwstenen aan voor zijn eigen filosofie. De monografieën zijn geen presentaties van het gehele werk van de betreffende filosoof, maar hij selecteert slechts die punten die zijn eigen opvattingen kracht bijzetten en de heersende orde aan het wankelen brengen.
Het representatieve denken heeft als model de Herkenning, en is gericht op het herkennen van het identieke en niet op het onderscheiden van het differente. Sinds Plato en Aristoteles is het traditionele denken gelijk aan rangschikken en ordenen. Om die ordening mogelijk te maken werd de differentie, als datgene waardoor het gegevene gegeven is, onderworpen (en ondergeschikt gemaakt) aan de identiteit. Wat hij bekritiseert is de pretentie dat het een ware beschrijving geeft van de werkelijkheid, terwijl het niet meer doet dat de representeerbare werkelijkheid beschrijven. Het feit dat de realiteit als differentie ondenkbaar is, betekent geenszins dat we haar ook ongedacht mogen laten. Integendeel, het denken moet zich openstellen voor het ondenkbare, om denken überhaupt mogelijk te maken. Denken is niet representeren, maar creëren ! En creëren is weerstand bieden aan al die krachten die steeds weer proberen het denken in oude vormen terug te gieten.
De derde fase in de beweging van zijn denken kunnen we kenschetsen als de poging het denken te onttrekken aan de eisen van de representatie. Hij wil proberen, in de voetsporen van Kierkegaard en Nietzsche, om van de filosofie een creatief vertoog te maken dat het denken in beweging kan zetten.
Het schrijven wordt opgevat als een stroom, een vloed, en niet als een code en vereist derhalve een andere manier van lezen, een lezen in intensiteit.
De vierde fase in zijn denken wordt gekenmerkt door de vraag hoe uit de filosofie te komen om haar des te beter van buitenaf te produceren. In deze periode gaat Deleuze zich bezighouden met de film- en de schilderkunst. Centraal staat de strijd tegen het intellectueel conformisme. Het schrijven dat balanceert op de grens van weten en niet-weten wordt een handeling van de verbeeldingskracht: woorden ontsnappen aan opgelegde betekenissen en gaan een eigen leven leiden. Ze zin niet langer representatief maar affectief; ze werken ‘op de zenuwen’. Het is de actualiteit die Deleuze interesseert, de filosofie als handeling van het denken. Deleuze verwoordt het als volgt: “Wat ons vergiftigd heeft, is de scheiding tussen theorie en praktijk. De filosofie, in plaats van een superieur vertoog te zijn, moet beschouwd worden als een creatief vertoog, noch meer, noch minder dan de andere disciplines. [...] filosofie is de kunst van het vormen, bedenken en vervaardigen van concepten�.
“Denken stond voor Deleuze in een wezenlijke betrekking met de aarde, dat wil zeggen met de wereld waarin wij hier en nu leven, en des te sterker naarmate hij constateerde dat ed mensen niet meer geloven in de wereld en in de gebeurtenissen die hen overkomen: de liefde, de dood ... Hoe minder de mensen geloven in de wereld, hoe meer het taak is van de kunstenaar en de filosoof om te geloven en te doen geloven in een band van de mens met de wereld – dat was zijn overtuiging�.
Schrijven heeft niets met betekenen te maken, maar met landmeten en cartograferen, zelfs van gebieden die nog ontdekt moeten worden.
Ter overtuiging sommeren Deleuze en Guattari enkele kenmerken van een rizoom. 1+2: De principes van verbinding en heterogeniteit Elk willekeurig punt van een rizoom kan en moet met elk ander worden verbonden.
3: principe van veelheid alleen als het vele effectief als zelfstandigheid, als veelheid behandeld wordt, heeft het geen enkele relatie meer tot het Ene dat als subject of object, als natuurlijke of geestelijke realiteit, als beeld en wereld opgevat wordt. Een veelheid heeft subject noch object; zij bevat uitsluitend bepalingen, omvang en dimensies die niet kunnen groeien zonder dat zij daarbij van aard verandert. In een rizoom zijn er geen punten of posities, zoals je die wel vindt in een structuur, boom of wortel. Er zijn enkel lijnen.
4: principe van de niet-betekenisdragende breuk binnen structuren is wel sprake van een betekenisdragende breuk. Wanneer een inbreuk de structuur scheidt of er dwars doorheen gaat, wordt de continuïteit verbroken. Een rizoom kan op elke willekeurige plaats gebroken en vernietigd worden; het woekert langs eigen of andere wegen verder. Een voorbeeld hiervan is een kolonie mieren. Je kunt ze niet uitroeien, aangezien zij een dierlijk rizoom vormen waarvan het grootste deel vernietigd kan worden zonder dat het rizoom ophoudt zich opnieuw te vormen. Het rizoom is een anti-genealogie.
5+6: principe van de cartografie en de kopieertechniek Een rizoom is niet onderworpen aan een structureel of generatief model. Het kent geen genetische hoofdas als dieptestructuur. Zij blijft datgene kopiëren dat al gegeven is, vanuit een overcoderende structuur of een dragende hoofdas. De boom benadrukt en hiërarchiseert de kopieën, kopieën zijn net als bladeren aan de boom. Het rizoom is eerder kaart en geen kopie. De kaart reproduceert niet een in zichzelf gesloten onbewuste maar ze construeert het. Een kaart heeft vele ingangen, in tegenstelling tot de kopie die altijd ‘op hetzelfde’ neerkomt. Een kaart is een kwestie van handelen, terwijl de kopie altijd naar een zogenaamde ‘competentie’ verwijst.