Moderne Leegte stelt als doel; "het geven van een impuls aan de geïntegreerde kritische beschouwing van beeldende kunst, stad en architectuur, in samenhang met andere componenten van het landschap van de openbaarheid." [1]
De tijd na de wederopbouw was een tijd van een nieuw begin. Enkele decennia eerder, in de jaren twintig, werd beton als bouwmateriaal voor het eerst op grote schaal toegepast. De constructieve mogelijkheden van beton waren vele malen groter dan het traditionele baksteen, waardoor nieuwe vormen ontwikkeld konden worden. Bij de beginperiode van de wederopbouw hoorde een nieuwe stijl, die geheel los stond van het traditionalistische bouwen. Architecten spiegelden zich aan de nieuwe en grote technische en maatschappelijke ontwikkelingen van het moment. Dat de moderne stijl zo snel en efficiënt draagvlak kon vinden, was voor een groot deel te danken aan de industriële productie en standaardisatie, zoals de serieproductie van betonnen gevelelementen met behulp van mallen. De versnelling van de economie en de welvaart van de jaren vijftig waren hiervoor een goede voedingsbodem. De theoretische benadering van de maatschappelijke idealen resulteerde in een rationele architectuurstijl en grote uniforme stadsuitbreidingswijken.
De verschijningsvorm van deze nieuwe stijl waren veelal lichte doosvormige gebouwen met transparante gevels en ogenschijnlijk zwevende vleugels. Ze werden voorzien van platte daken en brede betonnen uitkragingen en georganiseerd volgens een open plattegrond. De transparantie van de gebouwen vertolkte het collectieve verlangen naar helderheid en overstraling, na jaren van verduistering en afgeplakte ramen tijdens de Tweede Wereldoorlog. De strakke geometrische vormen van de gebouwen geeft een schril contrast met de leegte van het naoorlogse stadsbeeld eromheen, en omgekeerd is het "de onopgesmukte architectuur die de leegte articuleert." [2] Op foto"s uit die jaren vijftig van bijvoorbeeld het NS-station van Eindhoven (naar een ontwerp van K. Van der Gaast) kort na de oplevering in 1956, of het kledingmagazijn Nederland-Kattenburg (Maaskant en Van Tijen, Rotterdam, 1952), en een luchtfoto van de Rotterdamse uitbreidingswijk Kleinpolder (1946-1954) is het in alle gevallen de leegte die zichtbaar is als het volkomen transparante medium van de jaren vijftig. "Ze geven een plastische beeld van de spanning tussen de leegte van de omgeving, de massa van het gebouw (die ontkend wordt door de glazen gevels) en de mensenmassa waarop de architectuur is berekend (maar die geheel afwezig blijkt)". [3] Centraal in de gedachte van de nieuwe tijd stonden ruimte en openheid. Samengevat als "de belofte van het oningevulde" werkten ze als "twee complementaire dimensies van een metaforisch complex". De open ruimte werd gezien als het idee van een "eindeloos reservoir voor menselijke activiteit" en daarmee werd de open ruimte geassocieerd met "keuzevrijheid en democratie; met bewegingsvrijheid en ongedwongenheid; met ontplooiingskansen en verlegging van de horizon". Hierbij lag de nadruk meer op het potentieel dan op de werkelijke realisering; ruimte-zonder-meer werd als een positieve kwaliteit beschouwd. Dit potentieel was in de eerste plaats een gemeenschapideaal, waarbij particuliere belangen ondergeschikt waren. Moderne architectuur was in korte tijd een alledaags verschijnsel geworden en werd algemeen aanvaard als uitdrukking van een nieuw tijdperk en een nieuw gemeenschappelijk begin. In plaats van het gesloten, concentrische stadsmodel kwam nu een open en meer gedifferentieerde vorm, waardoor blijvende groei werd gestimuleerd. In de jaren zestig stond de "opkomst van het sociale" centraal en kon in de beginfase nog volledig gedacht worden in ruimtelijke termen. De wijk Pendrecht in Rotterdam (ontworpen in 1949 door Lotte Stam-Beese, en gebouwd vanaf 1953, als onderdeel van een uitbreidingsplan voor Rotterdam-Zuid) is hiervan een goed voorbeeld. De sociale aspecten van het wonen werden gethematiseerd in de stedenbouw. De driedimensionale structuur met in het centrum een uitgestrekte open ruimte heeft het karakter van een zelfuitbreidende ruimtelijke structuur, berust op herhaling en spiegeling van een vaste module (de wooneenheid) volgens een vaststaand rasterpatroon. Juist die oningevulde ruimte in het centrum vormde de kraamkamer van het sociale; een leeg podium waarop zich een continu wisselend beeld van openbaarheid en burgerschap kan manifesteren. Dergelijke thema"s werden ook op het CIAM congres van 1951 besproken. "De metafoor van de ruimte, zo typerend voor de jaren vijftig, beleeft hier haar meest heldere, radicale en concrete moment; het is het moment waarop de belofte van het oningevulde het karakter aanneemt van een dure eed." In de jaren zeventig had men echter weer heel andere ideeën over wat een goede buurt is. Het punt was bereikt dat de ruimte-zonder-meer niet meer kon doorgaan voor een positieve kwaliteit. Het potentieel van de ruimte was uitgewerkt en de ervaring van openheid en ruimte sloeg om in een naar gevoel van leegte en onherbergzaamheid. Het gemeenschapsideaal van het collectieve maakte plaats voor een welbewuste ontplooiing en emancipatie van het individu. Zij werd als het ware bevrijd van de dwang van het gemeenschapsideaal. "Moderne architectuur werd verantwoordelijk gehouden voor de kille functionalisering van de maatschappij; voor het ontstaan van onleefbare stadscentra en levenloze slaapsteden van grauw beton; voor ziekmakende "monoculturen" die alleen met kunstmatige ondersteuning bleven draaien; voor anonieme kantoorgebouwen langs overvolle snelwegen, en voor de sloop van de ene na de andere "goede" buurt." Frank van Klingeren gebruikte het concept van de "ontklontering" (ook wel "verdunning") om het monofunctionele karakter van de samenleving te doorbreken. Hij rekende het tot zijn belangrijkste taak de monofunctionele klonten in de samenleving te mengen en daarmee het voorbedachte gebruik van ruimte ongedaan te maken. Hij streefde hierbij naar een humanisering van de maatschappij en naar het oplossen van de vereenzaming die in de hand was gewerkt door de functionele segregatie. Dit leidde tot het bijna militante concept van de "programmatisch ingebouwde mogelijkheid tot onderlinge overlast" [6]. Een goed voorbeeld hiervan is "t Karregat in Eindhoven (1972-1973). In dit centrum worden ruimtes en faciliteiten voor de meest uiteenlopende activiteiten gefuseerd tot een "integrale belevingswereld". Hiermee propageerde Van Klingeren de idee van architectuur als semi-permanent conflict model. In de visie van Van Klingeren waren gemeenschapscentra zoals "t Karregat en de Meerpaal in Dronten slechts voorstadia van een "polynucleaire stad": "een soort integrale stadswijk, [...] een totaalgebeuren dat gericht is op ont-institutionalisering door middel van ont-scholing en ont-asylering, waar voor minder geld meer levenslustige proposities worden geboden en waar het wonen, creëren en recreëren de spiegel is van het leven en de ziel". [7] Waar het "buiten", de ruimte van de menselijke ontmoeting en de publieke ruimte van straten en pleinen, voorheen opgevat werd als een gemeenschappelijk podium voor de ontwikkeling van het sociale, werd nu deze ruimte niet lange beschouwd als een "buiten" maar als een "binnen" en moest in die zin ook zo worden bekleed en ingevuld. De fenomenologen hadden een andere visie op het "buiten". Voor hen stond het "buiten" gelijk aan het domein van de leegte, aan het doelloos dwalen in de liefdeloosheid. Naar aanleiding van de onvrede met de grootschalige uniformiteit van veel naoorlogse stadswijken kwamen pas in de late jaren zestig dergelijke inzichten (op grote schaal) tot uitdrukking in de architectuur en stedenbouw. Particuliere deelbelangen werden opgeschort en open ruimtes zonder al te veel duidelijke functie werden opgeëist en ingevuld. Hiermee ging de ruime opzet van woonwijken, zoals in de jaren vijftig nog gebruikelijk was, in veel gevallen verloren.